Foucault over de functie van de gevangenis: gelegitimeerde uitbuiting door de heersende klasse

Stel je fietst op een decemberavond door de stad en je ziet plots verderop twee politie-agenten opdoemen. Tien tegen een dat je meteen checkt of je fietslicht het nog doet. Waarom doen we dit? Je weet nog niet eens of de agenten je überhaupt wel gezien hebben. Duidelijk is in elk geval dat de opdoemende agenten een bepaalde macht hebben die er voor zorgt dat wij preventief ons fietslicht checken. Wat is hier macht en van wie gaat die macht uit? Is er werkelijk macht of gedraag ik me als licht-checkende fietser als iemand die zich (preventief) onderwerpt?

Een boek dat op dit soort vragen ingaat verscheen in 1975. Michel Foucault (1926-1984) schrijft dan Discipline, toezicht en straf. Dit artikel is de short read over dat boek en hier vind je de long read. In dit boek wil Foucault laten zien dat de 18e-eeuwse vernieuwingen in de rechtspraak niet zozeer gevolg zijn van een toename van beschaving. Dat is de populaire verlichte mythe. De verandering in de strafpraktijk is eerder gevolg van een economischer denken over misdaad en straf. De straf moet vanaf nu de misdadiger corrigeren en de maatschappij wat opleveren. Met de focus op het ‘repareren’ van het misdadige individu is de hervorming van de rechtspraak ook meteen de geboorte van de menswetenschappen. Dit is volgens Foucault problematisch omdat het strafrecht nu steeds meer wordt gekoloniseerd door ondoorzichtige machtsverhoudingen die het juridische aspect steeds verder naar achter dringen en dat vervangen door het menswetenschappelijke aspect. Deze toename van ondoorzichtigheid is een aantasting van de rechtelijke macht.

In het klassieke recht was een overtreding een directe aanval op de handhaver van de wet. Stelen van je buurman betekent dus het minachten van de lokale graaf die verboden had te stelen van je buurman. Omdat de graaf zijn gezag uiteindelijk heeft gekregen van de koning impliceert het overtreden van de wet het minachten van de koning. Straf is dan ook in eerste instantie wraak van de soeverein op de hem aangedane belediging. De straf is wreed opdat het volk leert dat de soeverein vele malen machtiger is dan de misdadiger. De straf is om deze reden ook openbaar, hoewel dat niet zonder risico is: soms neemt het volk het op voor de misdadiger.

 

Verandering van straf

De veranderende visie op straf valt samen met het opkomende kapitalisme. De functie van de straf verschuift: ten bate van de maatschappij moet de straf nu nut hebben, evenredig aan het kwaad de maatschappij aangedaan. De invloed van de misdaad is dus niet gelijk aan de gruwelijkheid van de misdaad. Daarom worden kleine vergrijpen nu veel harder bestraft. Het idee is dat kleinere vergrijpen een grote kans op recidive hebben waardoor ze op lange termijn veel schadelijker voor de maatschappij zijn dan de grote gruwelijke misdaad die maar heel weinig voorkomt. De straf wordt nu de “kunst van doelgerichte effecten” (DTS, 130). Laten we even vergelijken met wat we eerder lazen: een dief is een overtreder van het gezag en daarmee beledigt hij de koning. De koning kan die belediging niet over zijn kant laten gaan en laat de dief publiekelijk geselen, een relatief milde lijfstraf want de overtreding was ook relatief mild.  In het nieuwe strafregime wordt de dief anders bezien: hij overtreedt het maatschappelijk verdrag, door de mildheid van zijn overtreding zal hij geneigd zijn die overtreding vaker te begaan en het gevolg van veel voorkomende diefstal is voor een opkomende kapitalistische maatschappij desastreus. Deze dief verdient allesbehalve een milde straf!

Wat men in de gevangenis tracht te herstellen is niet het rechtssubject dat mee wil doen aan het maatschappelijk verdrag (dit was het streven van de humanistische hervormers), maar men maakt een gehoorzaam subject. Volgens Foucault veronderstelt de gevangenis een bijzondere betrekking tussen straffende en gestrafte. Die betrekking moet totaal en niet-verstoorbaar zijn, vandaar het niet openbare karakter van de gevangenisstraf. We zagen dat bij de lijfstraf het publiek het nog wel eens kon opnemen voor de berooide misdadiger, in de gevangenis is dit probleem verholpen door het publiek uit te sluiten.

 

Discipline

Een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van de gevangenis is de discipline. Foucault geeft de volgende definitie: “methoden, die de verrichtingen van het lichaam aan een minutieuze controle onderwerpen, en die een constante beheersing waarborgen van zijn krachten door ze gehoorzaam en bruikbaar te maken” (DTS, 191) Het gaat bij disciplinering dus om het bruikbaarder en gehoorzamer maken van lichamen en dat door minutieuze controle. Disciplinering verschilt zo van slavernij, want de gedisciplineerde is geen eigendom. Foucault traceert het ontstaan van de discipline in colleges, lagere scholen, het leger en het hospitaal. Op die plekken is een aantal disciplinerende technieken ontwikkelt die hun hoogtepunt vinden in de gevangenis.

Allereerst is het van belang dat elk individu in een disciplinerende instelling zijn eigen plaats heeft. Op die plek heeft hij een vast aantal activiteiten die strikt worden gecontroleerd. Door die controle wordt de ontwikkeling van het individu nauwgezet bijgehouden. Het gedisciplineerde individu is zodoende altijd classificeerbaar. Ofwel ten opzichte van een einddoel, ofwel ten opzichte van ‘de anderen’. Tot slot kan je ook al die individuen nog eens optimaal laten samenwerken. Om deze vier zaken voor elkaar te krijgen: een vaste plaats, vaste activiteiten, controle van ontwikkeling en samenwerking met anderen ( is het nodig dat er continu toezicht is. Verder moet elke overtreding altijd bestraft worden. Zo worden de individuen genormaliseerd: ze leren zich aan de norm te houden. Tegelijk worden ze geïndividualiseerd, van elk individu worden gegevens bij gehouden die steeds vergeleken kunnen worden met de gegevens van anderen. Deze ontwikkeling ziet Foucault als de geboorte van de menswetenschappen. Nu is het wel zo dat die individualisering dus altijd de beschrijving is van het individu ten opzichte van een norm. Dit betekent dat de meest afwijkende individuen ook het meest worden beschreven. Al deze voorwaarden komen samen in Benthams panopticon. Het voordeel van een panpoticon is verder dat de  gevangene nooit kan zien of hij geobserveerd wordt en zich zodoende altijd naar de norm zal gaan gedragen. Ook als hij niet geobserveerd wordt: dat is natuurlijk het summum van discipline.

Foucault ziet een paar historische processen in de verbreiding van de discipline. Allereerst komt de discipline op ten tijde van grote groei van de bevolking en het productieapparaat. De discipline probeert die beide te verbinden om zodoende zoveel mogelijk winst te maken.

 

De gevangenis

Doordat de straf is verandert: geen wraak maar verbetering wordt de gevangenis autonoom. Zij bepaalt namelijk of de gevangene voldoende verbeterd is.  Hierdoor verandert de gevangene: voor het gerecht is hij een wetsovertreder, maar in de gevangenis wordt hij een delinquent, want in de gevangenis wordt niet alleen toezicht gehouden maar ook kennis verzameld over elke individuele gevangene. Er ontstaat een morele boekhouding. Bij de wetsovertreder gaat het om een specifieke daad, bij de delinquent om zijn totale bestaan. De introductie van het biografische element van de delinquent zorgt ervoor dat er uiteindelijk al misdadigers bestaan vóór en los van de misdaad.

Psychiatrie en recht gaan nu door elkaar lopen en creëren samen het ‘gevaarlijke individu’. Dit individu wordt des te gevaarlijker naarmate het minder toerekeningsvatbaar is en dat valt te bepalen aan de hand van biografische kennis van dit individu. In de gevangenis ontstaat nu een typologie van soorten misdadigers, waarbij de misdadiger wordt gezien als een in meer of mindere mate pathologische afwijking van de menselijke soort. Door het opstellen van dit soort typologieën wordt een norm gecreëerd en de delinquent wordt steeds meer vanuit die norm in plaats van vanuit de wet beschreven.

Hoewel de gevangenis als straf veelvoorkomend wordt werkt ze niet. De criminaliteit blijkt niet te verminderen, de gevangenis leidt tot recidive en bevorderd een solidair milieu van delinquenten en de voorwaarden die de reclassering stelt zijn dermate zwaar dat vrijgelatenen wel gedwongen worden tot recidive. Daardoor vervalt het gezin van de delinquent vaak ook tot criminaliteit. Ondanks deze terechte kritiek blijft de gevangenis onverkort bestaan. Foucaults verklaring is opzienbarend. Het falen van de gevangenis behoort tot het functioneren van de gevangenis. Want het nut van de gevangenis is helemaal niet wat de ‘officiële lezing’ uitdraagt. De straf is er niet om de overtreding te bestrijden, maar om de overtreder “te onderscheiden, in te delen en te gebruiken” (DTS, 378). Het straffen is het beheren van het illegalisme, het ene wordt onderdrukt, uit het ander wordt profijt getrokken: “Het differentiële beheer van de illegalismen maakt deel uit van de overheersingsmechanismen.” (DTS, 378) Alleen als we dat beseffen kunnen we de functie van de falende gevangenis begrijpen.

Want de gevangenis produceert delinquentie en delinquentie levert controle. Door levenslange controle door de politie kan de delinquent naar de randen van de samenleving worden gedrongen om zich daar met kleine criminaliteit bezig te houden die eigenlijk niet zo ontwrichtend is. Er wordt gewoon een aparte klasse kleine criminelen gecreëerd. Ook is de delinquente groep een dankbare groep van bijvoorbeeld verklikkers of milities. Al met al is de delinquente groep een handig instrument ten bate van de machthebbers.

Foucault gaat zijn conclusies trekken. De discipline die we in de gevangenis zien en die daar een te controleren klasse kleine criminelen vormt verbreidt zich nu verder over de maatschappij. Elke overtreding wordt gezien als een delinquentie: een afwijking van de norm die verbonden is met de afwijkende persoonlijkheid van de overtreder. Een gevolg is dat overtreding van een wet en van een norm steeds meer gelijk komen te vallen. Door de legitimiteit van de gevangenis ontstaat een nieuwe wet: de norm. En overal vinden we nu in de maatschappij rechters van de norm. En daardoor is overal toezicht op en handhaving van die norm. Door de gevangenis ontstond er de permanente observatie van het lichaam en daarmee uiteindelijk de menswetenschappen.

En daarmee zijn voor Foucault terug bij de in de verte opdoemende agenten. We controleren ons licht omdat we geen overtreder willen zijn. We controleren ons licht omdat we binnen de norm willen vallen. We hebben daar geen observatie voor nodig, alleen de mogelijkheid van observatie doet ons al onszelf bewaken. En die zelfbewaking doen we door de normen snel langs te lopen. Zien we een agent in de avond waarop we fietsen dan checken we ons licht. Zien we een politieauto op de snelweg, dan checken we onze snelheid en hangen we de telefoon op. Zo is volgens Foucault de zelfdiscipline overal in de maatschappij verweven en is het aan ons te onderzoeken hoe die zelfdiscipline eigenlijk gebruikt wordt.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s