Waarom het veiliger is ironie aan schrijvers over te laten – Rorty over het onderscheid publiek/privé en het gevaar van metafysica voor de theoretische ironicus

In het vorige stuk zagen we dat het begrip ‘contingentie’ van groot belang is voor Rorty. Hij werkte contingentie op drie manieren uit. De taal is contingent: taal is niet een medium dat tussen ons en de wereld in staat. Taal is niet beter naarmate ze de wereld beter representeert. Taal is beter naarmate het ons helpt onze doelen beter te bereiken. Ons ‘zelf’ is ook contingent: onze zelfbeschrijvingen zijn steeds afhankelijk van de doelen die we nastreven en voor die zelfbeschrijving gebruiken we metaforen van anderen of we verzinnen die zelf. Tot slot is ook onze liberale samenleving contingent: omdat onze vocabulaires contingent zijn is het alleen in overleg tussen die vocabulaires mogelijk een samenleving te creëren die probeert wreedheid te vermijden (dat doel is Rorty’s kern van het liberalisme). In dat overleg is geen enkel vocabulaire op voorhand leidend. Rorty ziet een spanning tussen het privé-project van zelfontplooiing en het publieke project van het vermijden van wreedheid. Dit onderscheid probeert hij te verhelderen aan de hand van een dubbele tweedeling. Eerst die tussen ironici en metafysici, later aan de hand van twee soorten ironici: ironische schrijvers en ironische theoretici.

Private ironie en liberale hoop

De woorden waarmee we ons leven rechtvaardigen noemt Rorty ons eindvocabulaire. De ironicus heeft steeds twijfel over zijn eindvocabulaire, hij snapt dat argumentatie in het eindvocabulaire hier geen uitsluitsel kan geven en hij weet dat zijn eindvocabulaire niet dichter bij de werkelijkheid staat dan het eindvocabulaire van een ander. Tegenovergesteld aan ironie is het gezond verstand. Vaak is de bediener van het gezonde verstand een metafysicus, “iemand die de vraag ‘Wat is de intrinsieke natuur van x, y, z?’ kritiekloos accepteert.” (CIS, 111) Hij denkt dat de mens van nature streeft naar kennis en deelt boeken graag in naar “disciplines die corresponderen met verschillende objecten van kennis.” (CIS, 112). De ironicus deelt liever in naar verschillende tradities. Waar de metafysicus zich graag bezig houdt met logica en de verhouding tussen proposities, vergelijkt de ironicus liever totale vocabulaires. Mede hierom kijken ironici en metafysici wat anders tegen de geschiedenis van de filosofie aan: “Terwijl de metafysicus de moderne Europeanen bijzonder goed vindt in het ontdekken hoe dingen werkelijk zijn, vindt de ironicus hen bijzonder snel in het veranderen van hun zelfbeeld, in het her-scheppen van zichzelf.” (CIS, 115) Het ironische vergelijken van vocabulaires noemt Rorty dialectiek. Dit doet hij bewust in navolging van Hegel (1770-1831). Hegel ziet Rorty als de eerste filosoof die ironisch filosofeert. Die ironische filosofie ziet hij ook terug bij Nietzsche (1844-1900), Heidegger (1889-1976) en Derrida (1930-2004): “Dit zijn de filosofen die hun prestaties definiëren in relatie tot hun voorgangers, eerder dan vanuit de verhouding tot de waarheid.” (CIS, 117) Deze dialectiek zouden we tegenwoordig literaire kritiek noemen: “Ironici lezen literaire critici en beschouwen ze als morele adviseurs, simpelweg omdat zulke critici een uitzonderlijk kennisbereik hebben.” (CIS, 119) Dat kennisbereik hebben ze doordat ze heel veel vocabulaires kennen en dus met elkaar kunnen vergelijken (ze hebben dus niet een geprivilegieerde toegang tot de Werkelijkheid of de Waarheid of iets dergelijks).

Omdat metafysica verweven is met “de publieke retorica van de moderne liberale samenleving” (CIS, 121) krijgt de ironicus wel eens het verwijt onverantwoordelijk te zijn. Dat verwijt wordt bijvoorbeeld gemaakt door Habermas (1929). Volgens Habermas is de werkelijke betekenis van een filosofische opvatting de politieke implicatie van die opvatting. Hij denkt dat universaliteit en rationaliteit noodzakelijke voorwaarden zijn om de samenleving bij elkaar te houden. Rorty denkt niet dat dit nodig is. Zijns inziens zijn er uiteindelijk twee discussies in een liberale samenleving: ten eerste hoe je de behoeften aan vrede, rijkdom en veiligheid tegen elkaar af weegt en ten tweede hoe je gelijkheid ten aanzien van de mogelijkheden voor zelf-creatie creëert en hoe je het vervolgens aan de mensen over laat hun mogelijkheden te gebruiken of negeren. (CIS, 124)

Een publieke liberale cultuur ziet Rorty dus wel voor zich, maar een publieke ironische cultuur niet. De ironie is privézaak. Die ironie zorgt er ook voor dat de ironicus vaak het verwijt krijgt dat ironie solidariteit ondermijnt. Het idee van de critici is dan dat onderlinge solidariteit een universele ethiek, en dus een universele doctrine over de mens nodig heeft. Rorty ziet een andere oorzaak voor het verwijt: mensen houden niet van herbeschrijvingen en dat is wat de ironicus bij uitstek doet. Maar, metafysica herbeschrijft ook en claimt dat haar herbeschrijving ons kan bevrijden van knellende machtsstructuren. De ironicus biedt die laatste verzekering niet: “Zij moet zeggen dat onze kansen op vrijheid afhankelijk zijn van historische contingenties die slechts zo nu en dan worden beïnvloed door onze zelf-beschrijvingen.” (CIS, 131) Het verschil tussen en de ironicus en de metafysicus is dus dat de eerste geen garantie op macht of vrijheid kan geven.

Hoe maken liberale ironici en liberale metafysici nu onderscheid tussen publiek en privaat? De liberale ironicus geeft volledige vrijheid op het private gebied, maar omdat hij liberaal is zal hij overwegen of zijn acties vernedering of wreedheid richting anderen veroorzaken (deze overweging is onderdeel van zijn liberale eindvocabulaire). De liberale metafysicus denkt daarentegen dat er één eindvocabulaire is (een kleine gemeenste deler) die gelijk is voor zowel het publieke als het private. De ironicus gelooft in publieke pluraliteit van eindvocabulaires zolang daarin maar enige overlap te vinden is. Die publieke pluraliteit geeft geen reden om je in te zetten tegen wreedheid en lijden, hoogstens maakt ze opmerkzaam op het bestaan van wreedheid en lijden. Om deze redenen krijgt ironische filosofie niet zoveel voor elkaar op het gebied van vrijheid en gelijkheid. Maar het is volgens Rorty wel een eerlijke taakomschrijving van filosofie. Hij kan het ook niet helpen dat liberale metafysici veel te veel van filosofie verwachten en eisen. Ironische filosofie wijst naar journalistiek en literatuur als de plek waarvan veel meer verwacht kan worden inzake gelijkheid en vrijheid.

Zelf-creatie en affiliatie: Proust, Nietzsche en Heidegger

Rorty wil nu enkele ironische paradigma’s bespreken. Te weten die van Proust (1871-1922), Nietzsche, en de vroege Heidegger. Rorty ziet een centraal doel van ironische theorie: “de metafysische drang, de drang tot theoretiseren, zo goed te begrijpen dat je er helemaal vrij van wordt.” (CIS, 139) Het voorland van de ironische theoreticus is over het algemeen de canon Plato-Kant: “Waar hij naar zoekt is een herbeschrijving van die canon waardoor deze de macht die hij over hem heeft zal verliezen – het verbreken van de betovering gevormd door het lezen van de boeken die die canon uitmaken.” (CIS, 139-140)

Rorty vindt Proust en Nietzsche interessant juist omdat die naar zichzelf keken en niet zozeer naar het universum. De herbeschrijving van het zelf is bij beiden het belangrijkste doel volgens Rorty. Een verschil tussen Proust en Nietzsche is dat de eerste zichzelf herbeschreef aan de hand van concrete ontmoetingen met allerhande mensen, terwijl de laatste dit deed aan de hand van mensen (filosofen) uit boeken die allen aan elkaar gerelateerd zijn. Dit maakt het verschil tussen romanciers en theoretici, die laatste groep houdt zich dus bezig met iets groter-dan-het-zelf. Dit groters-dan-het-zelf moet steeds iets nieuws zijn, het oude heeft zijn mogelijkheden uitgeput, het is tijd voor herbeschrijving. De ironische schrijver heeft helemaal niet de behoefte het over iets groters-dan-het-zelf te hebben. De ironische theoreticus ziet zichzelf als einde van de geschiedenis, de bedenker van de definitieve herbeschrijving. Daarom zijn ironische theoretici zelden liberaal.

Rorty noemt dit het probleem van de ironische theorie: “Het is het probleem van het overwinnen van autoriteit zonder autoriteit te claimen. Dat probleem is de ironische tegenhanger van het probleem van de metafysicus om de kloof te overbruggen tussen schijn en realiteit, tijd en eeuwigheid, taal en het niet talige.” (CIS, 149). Ironische theoretici lopen steeds het risico terug te vallen in metafysica door te claimen dat hun herbeschrijving van alles wat ze in het verleden zijn tegen gekomen eigenlijk (stiekem) meer is dan slechts een herbeschrijving. Het voordeel van de ironische romanciers is dat zij ook herbeschrijvingen leveren maar niet in de verleiding te komen te denken dat zij meer doen dan herbeschrijven. De vroege Heidegger past in deze tweedeling omdat hij precies het beschrijven van metafysica zonder zelf metafysicus te worden als centraal probleem poneert. Heidegger probeert volgens Rorty zowel noch metafysicus noch ironicus te zijn. De latere Heidegger probeert te laten zien waarom ons eindvocabulaire is zoals ze is. Niet omdat ze dichter bij de werkelijkheid zou staan, maar omdat bepaalde begrippen en woorden ons hebben gemaakt tot wat we nu zijn. Er zijn dus bepaalde woorden/begrippen waarin het Dasein zich beter kan uitdrukken, woorden met een zekere macht. En woorden die volgens Heidegger zouden moeten resoneren voor elke moderne Europeaan. Daar toont Heidegger zich dan als metafysicus. Rorty concludeert dat: “hij [Heidegger, AK] volkomen nutteloos is voor mensen die zijn associaties niet delen.” (CIS, 164) Want, herhaalt Rorty: “Het elementaire van elementaire woorden, in Heideggers betekenis van ‘elementair’, is een privé-zaak, een idiosyncratische zaak.” (CIS, 164)

Ironische theorieën en private zinspelingen: Derrida

Derrida “wil uitzoeken hoe het mogelijk is te breken met de verleiding zichzelf te identificeren met iets groots – iets als ‘Europa’ of ‘de roep van het Zijn’ of ‘de mens’.” (CIS, 167) Maar ook Derrida zoekt, volgens Rorty, woorden ‘aan gene zijde van de metafysica’. Woorden die dus “hun kracht hebben los van ons” (CIS, 168). Ook hij vervalt dus in de metafysische valkuil van de ironische theoreticus.

De latere Derrida heeft volgens Rorty ingezien dat het onmogelijk is het private en het publieke te verenigen. De metafysisch ellende begint volgens Derrida bij Socrates en Plato, hij eindigt bij Freud en Heidegger. Waarom eindigt hij specifiek daar vraagt Rorty zich af? Omdat zowel Freud als Heidegger betekenis willen geven aan vormen en klanken van woorden. Dit zijn typisch zaken die altijd als bijkomstig werden gezien. Het belang van Derrida, volgens Rorty, is dat hij laat zien dat je heel andere dingen kan doen met filosofen dan alleen maar discussiëren. Derrida heeft voor de filosofie net als Proust voor de literatuur een nieuw boek geschreven waar nog niemand aan had gedacht. Hij heeft de grenzen verlegd.

 

In een volgende en laatste bijdrage over Contingentie, Ironie en Solidariteit zullen we meer naar de rol van schrijvers kijken in Rorty’s ideale liberale maatschappij.

One thought on “Waarom het veiliger is ironie aan schrijvers over te laten – Rorty over het onderscheid publiek/privé en het gevaar van metafysica voor de theoretische ironicus”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s