De zegetocht van de 20e-eeuwse Franse filosofie III. De invloed van het Franse onderwijssysteem

Eenieder die zich wel eens wat heeft verdiept in het Franse intellectuele leven zal zich wel eens hebben afgevraagd wat al die écoles normales, aggrégations en collèges precies inhouden. Voor een beter begrip van de Franse filosofie is het van groot belang goed op de hoogte te zijn van het zeer gecentraliseerde Franse onderwijssysteem. Tot voor de studentenrevolte van 1968 kwam het overgrote deel van de Franse filosofische elite van de École Normale Superieure (ENS). Ook na de hervormingen van ’68 is dit nog steeds voor een groot deel het geval. Al die filosofen kenden elkaar zodoende vrij goed en hadden precies hetzelfde onderwijs van precies dezelfde docenten gehad. In dit artikel zet ik uiteen hoe het Franse onderwijssysteem in elkaar steekt, ik spits dit toe op het onderwijs in filosofie.

De gebruikelijke route van een in 1905 geboren Franse intellectueel zag er min of meer als volgt uit: na de basisschool ga je vier jaar naar een collège. Daarna ga je nog drie jaar naar een prestigieus Parijs’ lycée, bijvoorbeeld het lycée Louis-le-Grand. Het laatste jaar van het lycée volg je de verplichte classe de philosophie. Je plakt daar nog eens twee jaar aan voorbereiding voor de école normale superieure aan vast, zodat je zo goed beslagen ten ijs komt dat je een van de pakweg veertig leeftijdsgenoten bent die toegelaten worden. Veel van die leeftijdsgenoten ken je al. Jij hebt tenslotte een aantal jaren op Louis-le-Grand doorgebracht en de meeste ‘normaliens’, zoals de leerlingen van de ENS worden genoemd, komen daar ook vandaan. Na vier jaar ENS bereid je je twee jaar voor op je aggrégation zodat je de bevoegdheid hebt om in de provincie filosofie op een lycée te onderwijzen. Als je je aggrégation binnen hebt doceer je in bijvoorbeeld Le Havre. Naarmate de tijd vordert kom je weer dichter bij Parijs totdat je daar op een lycée leerlingen voorbereidt op hun toelating tot de ENS. Tot hieraan toe is dit ruwweg de route van Jean-Paul Sartre. Hij was toen hij les gaf op het Parijse lycée de Condorcet bekend en vermogend genoeg om zich niet verder druk te hoeven maken over een academische carrière. In veel gevallen ging de route echter verder naar zelf les geven op de ENS en uiteindelijk een professoraat op de Sorbonne te pakken krijgen.

Een paar zaken vallen op in dit relaas: allereerst het gebrekkige aantal lycées – drie stuks en allemaal in Parijs – die de route naar de ENS vormen. Verder de niet te onderschatten rol van de ENS, het exclusieve karakter van toelating tot de ENS en de uiteindelijke terugkeer naar Parijs. Niet Lyon, Marseille of ergens anders, maar altijd Parijs. Alle leidende intellectuelen in Frankrijk waren door dezelfde mal geperst en zouden uiteindelijk die mal weer zelf verder vorm geven.

Laten we een en ander in meer detail bekijken. Allereerst de lycées. Er waren er drie die met het grootste succes voorbereiden op toelating tot de ENS, het lycée Louis-le-Grand, het lycée de Condorcet – Sartre was dus leerling van de eerste en docent op de tweede – en het lycée Henri-IV. Voltooiing van het lycée levert je een graad op: het baccalauréat. Frappant is dat je zonder bac geen ambtenaar kon worden, alle Franse ambtenaren waren dus door een stevig pakket aan filosofie gegaan. Mocht je na het lycée geïnteresseerd zijn in toelating tot de ENS (die toelatingstest heet het concours) dan volgt een voorbereidingsprogramma van twee jaar (het eerste jaar werd in jargon hypokhâgne, het tweede jaar khâgne genoemd). In 1938 zag het concours er als volgt uit: er moesten zes essays geschreven worden. Een vertaling uit het Latijn, een compositie in het Latijn, een vertaling uit het Grieks (of in plaats hiervan een moderne taal), een essay over Franse literatuur, een over filosofie en een over geschiedenis. Participanten hadden hiervoor acht dagen de tijd. Er stond vier uur voor een vertaling en zes uur voor een essay. Mocht je dit schriftelijke deel redden, dan volgde er nog een mondeling examen.

Dan de école normale superieure, opgericht in 1794. Tot halverwege de 20e eeuw hadden van alle belangrijke filosofen in Frankrijk alleen Lyotard, Ricoeur, Levinas en Deleuze niet op de ENS gezeten. De laatste heeft het überhaupt niet geprobeerd, de eerste twee kwamen niet door de toelating heen en Levinas kwam uit Litouwen en kwam via Straatsburg door de achterdeur in het Franse intellectuele leven. In 1910 was 80% van de studenten aan de faculteit letteren van de Sorbonne een normalien. Vanaf 1903 werd de ENS nauw verbonden aan de universiteit van Parijs. De ENS levert geen academische graad, de universiteit wel. Veel normaliens haalden dus hun graad bij de universiteit van Parijs. Aan het begin van de 20e eeuw werden zo’n dertig studenten per jaar toegelaten, tegenwoordig rond de honderd.

Er zijn voor filosofie in Frankrijk twee topinstituten. De Sorbonne/universiteit van Parijs is het bekendst. De universiteit werd al in 1200 gesticht en de Sorbonne werd in 1257 opgericht door Robert de Sorbon voor arme theologiestudenten. Na Napoleon richtte de Sorbonne zich vooral op het opleiden van leraren in de humaniora. Tot 1968 bestond de jury voor het aggrégation voor een groot deel uit docenten van de Sorbonne en waren de Sorbonne en de universiteit van Parijs wat betreft het onderwijs in filosofie eigenlijk niet te onderscheiden. Na 1968 werd de universiteit van Parijs opgesplitst in meerdere campussen, voor filosofie zijn Paris I Panthéon-Sorbonne en Paris IV-Paris-Sorbonne het grootst. Maar ook faculteiten buiten de Sorbonne worden nu invloedrijk: vooral Paris-X-Nanterre (Ricoeur, Levinas, Lefebvre, Lyotard) en Paris-VIII-Vincennes-St Denis (Deleuze, Lyotard, Badiou, Chatelet, Serres)

Het andere prestigieuze instituut is het in 1530 opgerichte collège de France (bij de oprichting heette het overigens het collège Royal). Het collège levert geen academische graden, maar geeft wel publiek onderwijs en heeft veertig leden. Je moet dus wel wat in je mars hebben om gevraagd te worden voor dit instituut. Deze veertig leden komen uit alle wetenschappen en meestal wordt er een leerstoel specifiek voor een lid ingesteld. Bekende leden uit de 20e eeuw waren onder andere Lévi-Strauss, Barthes, Bourdieu, Bergson, Merleau-Ponty, Gilson en Foucault. Uiteraard bevindt het collège zich in Parijs dus de kans is vrij groot dat normaliens en lycéens regelmatig publieke evenementen van het collège bijwoonden.

Verder is er nog de École practique des hautes études (EPHE), gesticht in 1868 als experimentele universiteit die helemaal los stond van de Sorbonne en waar je een graad kon verkrijgen. Hoewel de instelling van oorsprong vooral exact/technisch van aard was werd ze in 1886 uitgebreid met een faculteit voor de ‘wetenschappelijke bestudering van religie’ en in 1947 met een faculteit voor sociale en menswetenschappen (hier ontstond de beroemde annales traditie van de Franse geschiedwetenschap). In 1976 ging deze laatste faculteit zelfstandig door met als naam École des hautes études in sciences sociales (EHESS). Bekende filosofen die aan deze instelling verbonden waren zijn onder andere Bourdieu en Derrida. Ook werden veel gastdocenten aangetrokken waaronder: Barthes, de Certeau, Kojève, Koyré, Kundera en Marcuse.

Een relatief jong instituut werd in 1983 opgericht: het Collège international de philosophie. Derrida was een van de oprichters. Het instituut richt zich op multidisciplinair onderzoek los van begrenzingen die de academie soms opwerpt.

Tot slot is er dan nog een specifiek Frans fenomeen: het aggrégation, de voorwaarde om filosofie op het lycée te mogen geven. Een jury bepaald de inhoud van het aggrégation. Aan het begin van de 20e eeuw zag het examen er als volgt uit: er moesten drie essays worden geschreven. Voor elk essay kreeg je zeven uur de tijd en meestal moest dit in een week geklaard zijn. Twee essays gingen over algemene filosofische zaken, eentje was gericht op de geschiedenis van de filosofie. Normaliter haalde een kwart dit schriftelijke gedeelte. Dan volgde het mondelinge gedeelte: participanten kregen drie primaire teksten en een uur voorbereidingstijd waarna ze de drie teksten in een half uur moesten verduidelijken. Op het tweede mondelingen examen moesten ze een les over een bepaald onderwerp geven, ter voorbereiding kregen ze zes uur toegang tot de bibliotheek van de Sorbonne. Meestal overleefde minder dan de helft van de deelnemers aan de mondelinge examens dit slagveld. De geslaagden begonnen hun carrière in de provincie en de besten keerden naar verloop van tijd terug naar een Parijs’ lycée. Voor 1968 was het gebruikelijk de aggrégation direct na je tijd op ENS of Sorbonne te doen.  Tegenwoordig is het allemaal wat anders en minder streng geregeld, maar voor ons doel – het verduidelijken van de context van de meeste toonaangevende Franse filosofen van de 20e eeuw – was bovenstaande procedure de normale gang van zaken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s