De rol van schrijvers in Rorty’s liberale samenleving

Dit artikel is het derde en laatste deel over Rorty’s ‘Contingentie, Ironie en Solidariteit’. Deel 1, over contingentie, vind je hier. Deel 2 over ironie en politiek vind je hier.

Nabokov over wreedheid

Rorty stelt dat ironie beter in handen is van schrijvers dan van filosofen. Schrijvers moeten ons leren meer autonoom en minder wreed te worden. Boeken die ons helpen minder wreed te worden kunnen dat op twee manieren doen. Allereerst kunnen ze laten zien welk effect algemeen aanvaarde gebruiken en sociale instituties op anderen hebben. Verder kunnen ze laten zien welk effect ons privaat gedrag op anderen heeft. Om te kunnen beoordelen of een boek ons helpt in deze zoektocht moeten we eerst vragen of in het boek aan een nieuw eindvocabulaire wordt gewerkt of dat het boek in een bestaand eindvocabulaire past. De tweede vraag kan gesteld worden als het een nieuw eindvocabulaire betreft: levert dit boek een privaat of een openbaar eindvocabulaire?

Nu is het hele verhaal over filosofie en literatuur voor een liberale metafysicus (een niet-ironisch persoon) tamelijk onbegrijpelijk: “Deze mensen menen dat boeken die geen middelen leveren voor de doelen die speciaal in dat vocabulaire [het eindvocabulaire van de metafysicus, AK] worden geformuleerd, als ze niet immoreel of waardeloos zijn, slechts geschikt zijn voor private projecten.” (CIS, 189) Dat private project wordt dan geframed als ‘het najagen van genot’.

Lees verder De rol van schrijvers in Rorty’s liberale samenleving

Waarom het veiliger is ironie aan schrijvers over te laten – Rorty over het onderscheid publiek/privé en het gevaar van metafysica voor de theoretische ironicus

In het vorige stuk zagen we dat het begrip ‘contingentie’ van groot belang is voor Rorty. Hij werkte contingentie op drie manieren uit. De taal is contingent: taal is niet een medium dat tussen ons en de wereld in staat. Taal is niet beter naarmate ze de wereld beter representeert. Taal is beter naarmate het ons helpt onze doelen beter te bereiken. Ons ‘zelf’ is ook contingent: onze zelfbeschrijvingen zijn steeds afhankelijk van de doelen die we nastreven en voor die zelfbeschrijving gebruiken we metaforen van anderen of we verzinnen die zelf. Tot slot is ook onze liberale samenleving contingent: omdat onze vocabulaires contingent zijn is het alleen in overleg tussen die vocabulaires mogelijk een samenleving te creëren die probeert wreedheid te vermijden (dat doel is Rorty’s kern van het liberalisme). In dat overleg is geen enkel vocabulaire op voorhand leidend. Rorty ziet een spanning tussen het privé-project van zelfontplooiing en het publieke project van het vermijden van wreedheid. Dit onderscheid probeert hij te verhelderen aan de hand van een dubbele tweedeling. Eerst die tussen ironici en metafysici, later aan de hand van twee soorten ironici: ironische schrijvers en ironische theoretici.

Lees verder Waarom het veiliger is ironie aan schrijvers over te laten – Rorty over het onderscheid publiek/privé en het gevaar van metafysica voor de theoretische ironicus